De betaalbaarheid van wonen is de afgelopen jaren in veel regio’s verbeterd, doordat inkomens harder stegen dan hypotheek- en huurlasten. Toch neemt de ongelijkheid tussen verschillende groepen huishoudens toe. Vooral koopstarters en jonge huurders in de grote steden zien hun positie verslechteren.
Uit de nieuwste Woningmarktmonitor van ABN AMRO blijkt dat woonlastenratio’s tussen 2019 en 2025 in vrijwel alle regio’s zijn gedaald, zowel voor woningeigenaren als huurders in de vrije sector. De bank concludeert echter dat achter deze ontwikkeling een groeiende tweedeling schuilgaat tussen huishoudens, afhankelijk van leeftijd, woonvorm en regio.
Zittende eigenaar profiteert het meest
De sterkste verbetering is zichtbaar bij huishoudens die al langer een koopwoning bezitten. Hun inkomens namen de afgelopen jaren toe, terwijl de hypotheeklasten vaak gelijk bleven of zelfs daalden. Daardoor houden deze huishoudens volgens het onderzoek meer besteedbaar inkomen over. Voor koopstarters is het voordeel beperkter, doordat zij hogere aankoopprijzen en financieringslasten hebben.
Daarnaast blijken starters in alle regio’s relatief hogere woonlasten te hebben dan zittende eigenaren. In Amsterdam ligt het aandeel van het inkomen dat aan wonen wordt besteed zelfs hoger dan in 2019. Ook wonen starters gemiddeld kleiner: hun woningen zijn volgens het onderzoek circa 10 tot 15 vierkante meter kleiner dan die van bestaande woningeigenaren.
Grote verschillen tussen huurders en kopers
Ook de verschillen tussen huurders en kopers nemen toe. Huurders in de vrije sector besteden volgens de analyse structureel een groter deel van hun inkomen aan woonlasten dan huishoudens met een koopwoning. Vooral jonge huurders in steden als Amsterdam, Rotterdam en Utrecht zagen hun positie de afgelopen jaren verslechteren.
Tegelijkertijd hebben koopstarters gemiddeld hogere inkomens dan leeftijdsgenoten die huren. Daardoor betalen sommige starters ondanks hogere huizenprijzen uiteindelijk minder woonlasten dan huurders in de vrije sector. De overstap van huren naar kopen wordt volgens de onderzoekers echter steeds moeilijker, mede doordat starters meer eigen vermogen moeten meenemen bij aankoop van een woning.
Woonkwaliteit speelt grotere rol
De onderzoekers wijzen erop dat de dalende woonlastenratio’s niet automatisch betekenen dat de woonkwaliteit verbetert. Jongere huurders en kopers realiseren lagere woonlasten volgens het rapport deels door kleiner te wonen. Wanneer rekening wordt gehouden met woonoppervlakte, betalen zij juist meer per vierkante meter.
Volgens de analyse vraagt dit om breder woningmarktbeleid, waarbij niet alleen wordt gekeken naar huizenprijzen en maandlasten, maar ook naar woonkwaliteit en toegankelijkheid van woningen voor verschillende groepen huishoudens. Vooral in de grote steden lopen de verschillen tussen generaties en woonvormen verder uiteen.
Meer aanbod, maar druk op starters blijft
De verschillen op de woningmarkt worden volgens marktanalisten voorlopig niet kleiner. Zo verwacht ING Research dat de huizenprijzen dit jaar landelijk grotendeels stabiel blijven, mede door een toenemend woningaanbod. Dat extra aanbod ontstaat onder meer doordat beleggers huurwoningen verkopen. Vooral in de grote steden kan de prijsontwikkeling daardoor achterblijven bij het landelijke gemiddelde of zelfs omslaan in een lichte daling. Tegelijkertijd blijft de positie van starters onder druk staan door de hogere hypotheekrente en een lagere maximale leencapaciteit, waardoor de overstap van huren naar kopen voor veel huishoudens lastig blijft. Onder meer om die reden telde april zo’n 11% minder hypotheekaanvragen.
Bron: Tweedeling kopers en huurders groeit | Vastgoedactueel
Bekijk het gehele artikel
